vrijdag 5 mei 2017

Out of the box

Nooit eerder voelde ik me zo bewust Nederlander als de afgelopen vier maanden. Als volwassene naar Azië verhuizen en je aanpassen – daar hadden we ondertussen een beetje ervaring mee. Maar in een andere cultuur een baby grootbrengen, is weer van een heel andere orde. Dan merk je hoe diep je Nederlandse wortels zitten. En hoe basale zaken in de eerste maanden van een mensenleven gestempeld worden door het land en de cultuur waarin je opgroeit.
Neem de drie r’s, de beroemde rust, reinheid en regelmaat. Waarschijnlijk ontstaan in de achttiende eeuw, en volgens sommigen afgeleid van de verpleegkundige waarden van Florence Nightingale. Volgens anderen typisch calvinistisch gedachtegoed.
De invulling van die r’s is ondertussen ook in Nederland versoepeld. Toch wordt over het algemeen nog steeds erkend dat het uitgangspunten zijn voor een goede start van jonge kinderen. Gelet op de goede hygiëne in het Westen vervangen sommige experts reinheid door richting. Het is aan ouders om leiding te nemen en voor hun kinderen grenzen te stellen.
In Azië is hygiëne echter niet zo vanzelfsprekend. Echte moederliefde, bijvoorbeeld, betekent hier je baby zo veel mogelijk bij je dragen. Dat was immers lange tijd de enige manier om er zeker van te zijn dat er geen rat aan het oor van je baby knabbelt. Of om te voorkomen dat een slang zich van je kleine lieveling meester maakt.
Van een box waar je kind in ligt zodat het zich zelfstandig kan concentreren en kan bijten in speelgoedkonijnen heeft men nog nooit gehoord. Gelukkig circuleren de boxen gewoon onder de Nederlanders in Singapore en hadden we vanaf dag één een exemplaar in huis. In het Engels klinkt het natuurlijk best vreemd als je zegt dat je je kind in een box legt. Maar met het gebruik van de juiste vertaling (”wooden play-pen”) ben je er niet. Toen onze vrienden dat houten ding in de woonkamer zagen staan, vonden ze het maar vreemd.
„Slaapt ze daarin?”
„Nee, daar hebben we een bedje voor.”
„Is het niet heel koud en afstandelijk dat je je kind daarin legt en niet bij je draagt?”
„Nou, nee, eigenlijk is het best goed voor haar ontwikkeling, dat ze leert zelfstandig te spelen, zich te concentreren en daarbij motorisch ontwikkelt.”
Als je je kind de hele dag bij je draagt, komt er van diepe slaap weinig terecht. En als je niet goed slaapt en ook niet actief bent, verkeer je eigenlijk continu in een half-halftoestand.
Hoelang is een Chinees? Korter dan een Nederlander. In het algemeen geldt dat Nederlanders lang zijn doordat ze veel melk drinken en eiwitten binnenkrijgen. Ook speelt genetische selectie een rol. Maar zou het ook niet zo kunnen zijn dat goede diepe slaappatronen tijdens de start van het leven een rol spelen? Ongezonde slaappatronen werken ongetwijfeld door in de rest van het leven.
Uit onderzoek blijkt dat Nederlanders wereldwijd gemiddeld het hoogste aantal uren slapen (8 uur en 5 minuten), terwijl Singapore als laatste in de rij aansluit (7 uur en 24 minuten). Eerder werd al duidelijk dat er grote verschillen bestaan in slaapmanieren en -lengte tussen westerse en Aziatische kinderen. Aziatische kinderen slapen korter. En ook vaker bij de ouders op de kamer.
De vraag is hoe dat samenhangt met gezondheid. In Singapore toonden onderzoekers een verband aan tussen slaap en lichaamslengte bij kinderen onder de twee jaar. Ze projecteerden ook mogelijk ongezonde effecten in latere fasen van het leven.
Onze eerste ervaringen met het grootbrengen van een jonge baby in een andere cultuur bepalen ons opnieuw bij de mate waarin we gestempeld zijn door onze opvoeding. Die drie r’s krijg je er niet zomaar uit. Daar houden we aan vast, dat is hoe het moet. Vanuit onze Nederlandse kijk vinden we vaak dat Aziaten zich wat houterig bewegen en gedragen. Niet vreemd als je nooit in de box hebt leren rollebollen en met je mond en handen Nijntje hebt ontdekt, zeggen we dan. Voor ons individueel georiënteerde westerlingen is het heel normaal om een kind van jongs af aan onafhankelijkheid te leren. Dan doen we zonder erbij na denken. In collectief georiënteerd Azië heeft men andere waarden. Ook zonder erbij na te denken.
Out of the box denken kan vruchtbaar zijn. „Een teveel aan rust, reinheid en regelmaat leidt tot roest, ruzie en rariteit”, zo schreef collega-columnist Jan Schippers vijf jaar geleden al. Maar voorlopig laat ik onze kleine meid erin. En stel ik vast dat ze wat lengte betreft aan de bovenkant van de curve zit. 
Soms zou je meer Nederland in de wereld willen.

Deze column verscheen op 17 maart 2017 in het Reformatorisch Dagblad

zaterdag 21 januari 2017

Kunstdokter

Als je bent uitgeloot voor de studie geneeskunde zijn er verschillende alternatieven. Het zorgende type dat graag mensen schoonhoudt, kiest voor verpleegkunde. Als je lichaamssappen liever door de microscoop bekijkt, ga je voor biologie. Houd je van vergaderen? Dan doe je beleid en management gezondheidszorg. En als je echt geestig bent, schuif je aan bij psychologie. Al mijn niet-uitverkoren klasgenoten en ik kozen soortgelijke richtingen. Behalve Carola. Zij ging voor de opleiding kunstmatige intelligentie. Dat leek iets heel anders dan geneeskunde. Maar vandaag, achttien jaar later, neemt kunstmatige intelligentie een steeds grotere plaats in de zorg in. Carola had een vooruitziende blik.

IBM Watson en Google DeepMind
Wat is kunstmatige intelligentie precies? Het is al moeilijk om intelligentie te definiëren, laat staan de kunstmatige variant ervan. Kunstmatige intelligentie  is de wetenschap die zich bezighoudt met het creëren van dingen die een vorm van intelligentie vertonen. De schaakcomputer Deep Blue bijvoorbeeld. Al in 1997 won deze computer van wereldkampioen Kasparov. IBM, de maker van Deep Blue, werkte de techniek verder uit en in 2011 versloeg zijn supercomputer Watson alle menselijke deelnemers in een quiz. Sinsdien richten IBM en andere partijen, zoals Google DeepMind, zich op het verbeteren van de zorg met behulp van kunstmatige intelligentie.
We kunnen ons vandaag al geen goede zorg meer voorstellen zonder slimme machines. Toen mijn ogen gelaserd werden (waardoor ik opeens zonder bril boven deze column verscheen), wilde ik natuurlijk een betrouwbare oogchirurg. Maar eigenlijk werd het leeuwendeel door de computer gedaan. Een succesvolle behandeling is vooral afhankelijk van de precisie van de laserstralen die mijn hoornvlies bewerken. Zelfs als stralen plotseling moeten worden bijgesteld, bijvoorbeeld omdat ik mijn oog onverwachts beweeg, doet de computer dat sneller en beter dan de mens.
Het belang van een goede menselijke specialist blijft – bijvoorbeeld inde beoordeling of het oog wel of niet voor behandeling in aanmerking komt. Of in de keuze beide ogen op één dag te behandelen. Vooral diagnostische specialismen zoals radiologie en microbiologie zullen drastisch veranderen. In het beoordelen van structuren en bepalen of het ‘pluis’ of ‘niet pluis’ is kan de computer grote diensten bewijzen.
Chattende robot
In Singapore zijn we samen met een technische universiteit en een aantal bedrijven bezig met kunstmatige intelligentie als alternatief voor een doktersconsultte testen. Een door de professor geschreven handboek voor zwangerschap en geboorte wordt omgezet in computertaal en de nieuwe ouders kunnen hun vragen stellen aan een chattende robot, een ‘chatbot’. De computer kan zelf leren van elke nieuwe vraag die gesteld wordt.
Een dokter die een patiënt ziet, doet feitelijk hetzelfde. Hij vergelijkt de informatie van een individuele patiënt met wat hij eerder heeft geleerd en met wat bekendstaat als normaal. Groot voordeel voor de denkende computer is dat dagelijks toegevoegde nieuwe informatie, bijvoorbeeld nieuwe resultaten van onderzoek dat aan de andere kant van de wereld werd uitgevoerd, direct beschikbaar is. Een individuele arts kan met het bijhouden van zijn vakliteratuur nooit zo up-to-date blijven als een computer.
Kunstmatige intelligentie heeft de potentie de zorg beter te maken. De zorg heeft grote behoefte aan informatica-experts, jongeren die kunnen programmeren, en hun hand niet omdraaien voor ’big data‘. Wil je mensen echt beter maken? Ga informatica studeren.
Deze column werd gepubliceerd in het Reformatorisch Dagblad en in Zorgvisie.